De herfst
De stage vlegel twee-klopt in de schuren
en ladders reiken tusschen 't oker ooft.
De landen rooken van gerekte vuren
en dahlia's nijgen het gloeddronken hoofd.
Uit langgerekte luchten zwerven gure
en klamme winden af, die beroofd
of nog hartstocht'lijk loover doen verzuren,
tot de flambouwen worden uitgedoofd.
Langende peren ploffen af en gelen.
Uit kolf en schede rolt de rijpheid af.
Zwaluwen zwermen en de bladeren spelen
over hun eindlijk en oneindig graf.
De tijd verzucht... en kinderhandjes streelen
over de borst, die hun te drinken gaf.
Martien Beversluis (1894-1966)
uit: Het zaad (1944)